Honden
Altdeutscher Hütehund
Aanschaf en opvoeding.
De Altdeutscher HH is een hond die generaties lang werd gefokt als veedrijver, en niet als familiehond.
Een hond, die wordt gefokt om zich tegen het leidschaap van een kudde te verzetten en moedig een kudde koeien, waarvan een trap een dezer dieren hem verpletteren kan, verplaatst, is slechts met veel moeite en consequentie af te houden van wat zijn “kop” hem ingeeft!
Altdeutscher hutehunde, die niet leren hun eigenaar (direct) te gehoorzamen en niet de basis gehoorzaamheid bijgebracht krijgen in hun eerste levensperioden, zullen zeer snel ongewenst gedrag vertonen en lastige, agressieve, blaffende en vernielzuchtige honden worden; tegenover andere honden, maar ook naar hun eigenaren. Ze gaan “de familie-kudde” hoeden (en soms ook bijten, omdat ze dit in hun werk ook doen….)
De karaktereigenschappen die je als voordelen kunt zien,kunnen ook nadelen worden: trouw; niet alleen kunnen zijn, attent; over-attent, werklust; te werklustig, aanhankelijk; loopt de hele dag achter de baas aan, energiek; te veel energie.
Fokkers van deze honden beweren dan ook dat dit “geen hond voor alleman“ is. Iemand uit de massa van hondeneigenaren moet zich dit alles goed realiseren. Jammer genoeg moeten de honden die door een foute inschatting toch in onervaren handen terecht komen, altijd de tol ervan betalen; met de gang naar het Asiel, of (uiteindelijk) op de dieren begraafplaats…………
De opvoeding van een Altdeutscher begint met de eerst dag in het nieuwe huis en eindigt met de laatste adem. Met consequente opvoeding en training en duidelijke regels is er een fijne metgezel van te maken, die tot op hoge leeftijd actief, ondernemend en leergierig blijft. De belangrijkste oefeningen, die een Altdeutscher moet leren, is het onderdrukken van de “hoeddrang”. Hierbij is het een must, de hond alternatieven aan te bieden, die het voor hem mogelijk maken om zijn natuurlijke werkvermogen te uitten. Dit kan door middel van samen een (aantal) cursus(sen) te volgen.

De typen / eigenschappen.
Het evenwichtig gespierde lichaam, dat langdurig en intensief bewegen mogelijk maakt, is kenmerkend voor de bouw van alle Altdeutscher HH. Door de zware selectie op werkkwaliteiten worden zwakke exemplaren tot op de dag van vandaag uit de fokkerij geweerd.
Keihard, maar uitermate gezond voor het ras! Alleen de sterkste plantten voort. Een goede gezondheid, een groot aanpassingsvermogen, het sterke karakter bij het werk en de constante bereidheid te hoeden (werken!) onderscheiden deze honden tot op de dag van vandaag.
We kennen de lang/ruwharige Fuchsen; voskleurig, de Gelbbacken; overwegend zwart met tan-kleurige vlekken boven de ogen en aan wangen en poten, en de Schwarzen (zwart) met een schofthoogte van rond 55 cm, die in het noorden en het midden van Duitsland voorkomen. Matz is afkomstig uit Oost Duitsland. De Harzer Fuchs en Gelbbacke uit deze regio zijn kleiner; zij hebben het formaat van een bordercollie. Ook het aanbod van voer en de manier van houden speelt een belangrijke rol: goed voer en een warme plek, bevorderen de groei. De broer van Matz die door hun fokker is aangehouden, is een stuk kleiner. Hij heeft in de eerste periode van zijn leven z’n energie moeten gebruiken om warm te blijven, waardoor er minder voor de groei overbleef.
Kenmerkend voor de in het zuiden van Duitsland voorkomende typen zoals de Strobel en de Zuid-Duitse Schwarzen is dat ze wat grover gebouwd zijn. Deze meten rond 65 cm schofthoogte.
De typen Tiger en Schafpudel komen voor in heel Duitsland.
De temperamentvolle Altdeutsche HH is geen hond voor kleine kudden, aangezien hij met grote druk en vaste greep, vanaf de herder direct aan het vee werkt. Daarnaast is hij goed over grote afstanden te sturen. In de perioden dat wij met Matz in Eichsfeld hebben gewerkt, viel het op dat hij als vanzelf de “vore” (de “voor” is de streep aarde die door het omploegen van de akker ontstaat) opzocht, en langs deze voor, tussen de overgang van weide en akker, steeds deze lijnen liep. Zie voor foto’s van de manier van werken bij “Matz” onder Onze honden. Ook tijdens de leerperiode bij de kudde van Hans Abbink loopt hij deze lijnen langs de zandpaden.
De herders waarderen hun honden om hun eerlijke aard en beet -“Griff”- in hals, ribben of bout, zonder schade aan te brengen aan de schapen. De schapen leren op deze manier de hond, zonder dat zij door deze beschadigd worden, te respecteren. Het is een kwestie van “wederzijds vertrouwen”.
Matz heeft daarnaast ook nog eens een grote bescherming drang, niet alleen ten opzichte van zijn (teven-) roedel, daar val ik volgens hem ook onder; hij past goed op zijn baas. Deze eigenschap wordt door de herders ook erg gewaardeerd.
De wil om te werken, gecombineerd met zijn grote zelfstandigheid en overwicht, maakt het de schaapherder ook nu, in de tijd waarin chaos, drukte en hectiek aan de orde van de dag zijn, mogelijk om de kudde door het landschap te verplaatsen.
De oorsprong.
De wortels van de Altdeutscher hütehund liggen waarschijnlijk in de vroege Middeleeuwen.
Naast de ontwikkeling van doelgericht in te zetten, verplaatsbare kuddes zijn de rastypische eigenschappen van deze honden een ideale combinatie; het zijn de aangewezen honden voor het drijven van schapen, varkens en koeien. Ze worden niet alleen voor het hoeden en verplaatsen, maar ook voor het beschermen van de kuddes gebruikt.
De Fuchsen, de Gelbbacken en de Schwarzen, lijken niet ver van de Belgische Groenendaeler en de Tervurense herder af te staan.
Schafpudel beantwoordt aan het type van de Engelse Bearded Collie of de Poolse Pon, en de ruwharige Strobel kan met de Belgische Bouvier worden vergeleken.
De Altdeutscher Hütehund heeft geen FCI erkenning als onafhankelijke ras, en dit wordt door de AAH ook niet nagestreefd. Wanneer honden een “erkend” ras worden, verschijnen deze helaas meer op tentoonstellingen dan op de plek waar ze het best tot hun recht komen: in het vrije veld, aan het werk, bij vee! Wat mij betreft; laten we dat zo houden!!
Vertaald uit het Duits,
Bron: website AAH
Door: Mieke Boode